Een engel is van ons heengegaan.
Erfenis


De regenten hebben een uitbundige begrafenis voor de overleden Cornelia geregeld, toen bekend werd dat zij een fortuin aan het hofje zou nalaten.

Een zoete dood

‘Cornelia Hartesuyker was een braaf besje. Een sieraad voor ons hofje!’ Regent Jeronimus Klarenbeek pauzeerde even alsof de emoties hem teveel werden, hoewel hij het lieve mens nog nooit had ontmoet — niemand van het regentencollege trouwens, maar toch waren ze allemaal naar haar begrafenis in de Nieuwe Kerk gekomen. Zelfs regentes Magdalena Penninck had met droef gezicht aan het graf in de zuidertrans gestaan en was vergeten hoe de andere bewoonsters zich wekenlang bij haar hadden beklaagd: ‘Cornelia behoeft zoveel zorg, wij kunnen het niet meer aan. Stuur haar alstublieft naar het Diaconiehuis!’ Maar zover was het gelukkig nooit gekomen. ‘Een engel is van ons heengegaan.’ Jeronimus hief eerbiedig zijn glas naar de hemel, alsof hij Cornelia daar nog zag zweven — of misschien keurde hij wel de wijn, en alle toehoorders aan de lange tafel in de hoftuin mompelden instemmend, terwijl nieuwe flessen werden opengetrokken en plakken krentenbrood rondgedeeld. Wijn en krentenbrood, toemaar! Jarenlang waren de preuves niet meer verhoogd: drie stuivers per week — hoe moest je daar in Godsnaam van rondkomen? Bovendien hadden ze dit jaar de traditionele zak met zout niet gekregen en moesten hun huisjes worden verwarmd met een zielig hoopje turf. Geen wonder dat de regenten zich de laatste maanden nauwelijks meer in het hofje hadden vertoond. En nu ineens krentenbrood en geen bier zoals gewoonlijk, maar wijn! Voor een armzalig schepsel dat tijdens haar leven nooit iemands aandacht had getrokken. Behalve in haar stervensuur dan. Want toen had Cornelia gefluisterd tegen opzichteres Geertje Dekker: ‘Een legaat... tweeduizend gulden... een tuintje... tachtig roeden... in het Rozenprieel.’ En op haar laatste ademtocht: ‘... alles voor het hofje...’ Natuurlijk was Geertje meteen naar de regenten gesneld, waar het nieuws van Cornelia’s verscheiden met gepaste treurnis werd ontvangen, maar zodra de opzichteres was vertrokken, konden de heren een jubelstemming nauwelijks onderdrukken. ‘Tweeduizend gulden!’ — ‘En een flinke lap grond!’ Na alle jaren van stijgende kosten en onmogelijke bezuinigingen, was zo’n meevaller meer dan welkom. ‘Eindelijk kunnen we de glas-in-lood ramen vervangen!’ — ‘En de oudjes, geven we die nog iets?’ — ‘Natuurlijk! Een zakje zout.’ Terwijl de begrafenismaaltijd nog in volle gang was, gebaarde Jeronimus naar Geertje om alvast te beginnen met de ontruiming van het vrijgekomen huisje. Niet dat hij oneerbiedig wilde lijken, maar hoe eerder hij het legaat in handen had, hoe liever. Magdalena kwam naast hem staan — toch bang dat haar gerespecteerde medebestuurder er met het fortuin vandoor zou gaan. Opeens een opgetogen geroezemoes. Een dampende rollade werd op tafel gezet. ‘Vlees! Echt vlees!’ Even waren de bewoonsters de treurige aanleiding vergeten en schoven vrolijk hun borden naar voren. Verwonderd keek Jeronimus naar de regentes naast hem, maar die haalde haar schouders op: ‘Och, moet toch kunnen, een keertje?’ In de deuropening voor hen was Geertje verschenen met een bundel wasgoed en een stapeltje zwarte jurken. ‘De rest hoort bij het huis.’ Haar woorden leken niet meteen door te dringen. ‘Maar... was er niet meer?’ — ‘Jawel, nog éen jurk, maar daarmee ligt ze in haar kist.’ Ongeduldig stormde Jeronimus de woning binnen om het zelf in ogenschouw te nemen, terwijl Magdalena nauwkeurig de kleding in Geertjes handen uitploos of daar geen papieren waren verborgen. ‘Er moet toch geld zijn of tenminste een eigendomscontract?’ Jeronimus beklopte de ruwe planken van de bedstede en vloog de steile trap op naar zolder. Ondertussen was ook Magdalena binnengekomen en keek verafschuwd om zich heen. Wat een naargeestig hol! De muren waren beschimmeld en het tochtte aan alle kanten. Hoe kon je hier leven? Ontgoocheld sjokte Jeronimus weer naar beneden en zakte op een kruk neer: ‘Geen rooie rotcent. Dat mens kletste maar wat.’— ‘Misschien door de koorts?’ Een ogenblik zwegen beiden verslagen — en dit keer oprecht. ‘O, mijn hemel, hoeveel geld hebben we niet uitgegeven aan die begrafenis? Een kist, een doodskleed, een koets!’ De regent wreef vermoeid in zijn ogen. ‘Zelfs een feestmaal ter ere van dat secreet! Vlug, laten we het vlees weghalen!’ Maar Magdalena bleef voor het raam staan kijken naar de oudjes in de tuin die werden aangespoord door Geertje om het overgebleven voedsel mee te nemen. Opeens voelde de opzichteres zich bespied. Ze draaide zich om naar de regentes achter het raam. En die moest glimlachen.


Meer teksten

13 in de oorlog

Een bijzonder programma dat op deze manier nooit eerder is gemaakt en ons het meest heeft verrast

Juryrapport

Andere teksten

© Maarten van der Duin | wildwords, 2011-2021