Stil mens, anders horen ze ons
Lust


Grote consternatie wanneer een nieuwe bewoonster bezoek krijgt uit Amsterdam... van een man.

Lust

Een man op het hofje! Bij toeval had Justina hem gezien. Schichtige ogen, verlopen kop, een echte schooier dus en al meer dan een kwartier in nummer zes. Daar woonde sinds kort een Amsterdamse en waren de luiken gesloten. De gladakkers! Maar Stien hield hen scherp in de smiezen en zat met haar 62 jaar weggedoken achter de stenen pomp.

– ‘Doe jij daar nou?!’
– ‘Jezusmina...’ De gluurster wist maar net de zwengel te grijpen en overeind te blijven. Naast haar stond Beppie van Loon in Begijnse dracht.
– ‘Stil mens, anders horen ze ons.’ Stien knikte veelzeggend naar het poorthuis.
– ‘Pleunie Keller, bedoel je, die nieuwe?
– Met een kerel, ja.’
Geschrokken sloeg het begijntje een kruis, alsof ze achter de groenwitte blinden onbeschrijflijke taferelen ontwaarde. ‘Dat moet onze binnenmoeder weten.
– Nee, blijf hier! Anders gaat hij ervandoor en is het straks mijn woord tegen het hare.’ Ze had Beppie bij de mouw gegrepen en trok haar achter de pomp. ‘En het leek zo’n fatsoenlijke vrouw! – Van buiten misschien’, bromde Justina. ‘Overal strikjes en lintjes, maar kom je dichterbij, dan zie je de gaten in haar kousen. – Verbaast me niets!’ Naast het tweetal verscheen Neeltje Snoek, de handwerkster van nummer twaalf, waar anders nooit een woord uitkwam. ‘Op het Damrak woonde ze toch? Vlakbij de Karnemelksteeg? Nou, dan weet je wel hoe laat het is.’ Even bleef het stil. Justina en Beppie hadden duidelijk geen idee.
En het leek zo'n fatsoenlijke vrouw
‘Speelhuizen van het laagste allooi en danskamers! Wat denk je dat ze daar de hele nacht doen?! – Ehh... dansen? – Ha! Met losgeslagen Oost-Indiesvaarders zeker?!’ Het begijntje keek angstig opzij: ‘Toch niet... drinken? – Daar begint het mee. Brandewijn en Bredaas bier.’ Neeltje snoof. ‘En goedkope wijn met kandijsiroop.’ Stien sloeg een hand voor haar mond: ‘We hebben een drankorgel op het hofje! – Nee, zij niet. Alleen haar klanten. Zij moedigt slechts aan, tot ze te lam zijn om te lopen...’ Opeens hielden ze alledrie de adem in. Gebonk vanuit het verdachte poorthuis. Er was iets omgevallen. – ‘En dan?’ fluisterde Beppie nauwelijks hoorbaar. ‘Waarom voert zij hen in hemelsnaam dronken?’ Neeltje kreeg bijna medelijden door zoveel naïviteit: ‘Wat denk je... Amour.’ Justina sloeg op haar dij: ‘Ik wist het! Vanaf het eerste moment voelde ik het! Die overdreven vriendelijkheid, dat valse toontje! Zo verleidt ze hen natuurlijk.’ Maar Beppie schudde haar hoofd: ‘Amour, hoezo amour?!’ Neeltje tuitte haar lippen als een klein kind: ‘Hou je van mij, lieverd?’ In haar woorden klonk een onvermoede hartstocht. ‘Geef me dan een aandenken, schatje. Een kettinkje of wat dukaten om jouw liefde nooit meer te vergeten. – En als ze niets krijgt, dan pakt ze het zelf wel,’ onderbrak Justina haar en keek grimmig naar de gesloten ramen: ‘Dan wordt zo’n heerschap uitgekleed tot op het bot. Daar zie ik haar ook nog wel voor aan. – Ach, kom nou toch!’ Onbeheerst veegde Beppie de witte kap van haar hoofd: ‘Pleunie is minstens vijftig en niet om aan te zien! – Nou en?! Geen vent die daarom maalt, hoor, na zeven pullen bier!’ Niemand leek zich af te vragen hoe een kantkloster aan zulke kennis kwam. ‘Ga maar na, Bep. Het kan bijna niet anders,’ beweerde Stien in alle redelijkheid. ‘Waar heeft zij al die jaren dan van geleefd? En waarom moest ze zonodig naar Haarlem? Werd ze in Amsterdam misschien te vaak herkend?’ Beppie liet de woorden op zich inwerken. – ‘Hoe lang is die gast al binnen? – Bijna een half uur.’ Haast triomfantelijk draaide Neeltje zich naar haar buurvrouw: ‘Zie je wel, een beroeps.’ Dat was voor Beppie de druppel. ‘Dit laten we toch niet zomaar gebeuren?!’ Ze deed geen enkele moeite meer haar stem te dempen: ‘Ons hele hofje wordt te gronde gericht door die Babylonischecocotte! Met haar afschuwelijke, godslasterlijke...’ Ze keek naar haar buurvrouwen, maar die waren afgeleid – ‘... weerzinwekkende...’ – door Pleuni Keller die zojuist het hofje was binnengekomen. ‘Goedemorgen dames’, klonk het op z’n Amsterdams, ‘alles in orde?’ Het drietal leek wel versmolten met de stenen pomp. ‘D'r zit een man in je huis. – Hm-hm, een schrijnwerker, omdat m’n bedstee zo kraakt.’ In de deuropening was inderdaad een oude meester verschenen en Pleuni snelde toe om hem te bedanken. Onder de verbouwereerde blikken van de achterblijvers. ‘Ja, nou hoorde ik het ook,’ knikte Beppie, ‘echt zo’n vals toontje’.

Meer teksten

Mielke, Meister der Angst

Der Film plustert Erich Mielke nicht zu einem Monster auf, sondern entblößt präzise seinen perversen Kern: den Willen zur Macht und deren Missbrauch.

Lutz Pehnert

(ARD Information)

Andere teksten

© Maarten van der Duin | wildwords, 2011-2021