Bent u bang dat ze te lang blijft leven?
Macht


Een regent negeert de jarenlange wachtlijst en kiest om dubieuze redenen zelf een nieuwe bewoonster voor het hofje.

Macht

‘Bonjour, mes confrères, daar ben ik dan!’ Parmantig schrijdt MAURITS VAN BERCKENRODE de regentenkamer binnen. Rouge op zijn wangen, roodgeverfde lippen en een weelderige allongepruik tot over zijn schouders. ‘Voila!’ In een wolk van poeder paradeert hij voor een drietal heren in zwarte toga’s met molensteenkraag. Iedereen valt stil. Zelfs JAN HUYDECOPER, een bierbrouwer nota bene. ‘Godallemachtig...’ ― ‘Jazeker, het nieuwste uit Parijs!’ Met bestudeerde zwier slaat MAURITS zijn mantel naar achter en ontbloot een bontgekleurde bef. Dat is teveel voor REYNIER SONCK die gierend wegduikt achter een kasboek. – ‘Heb ik iets gemist?’ Wantrouwig kijkt MAURITS de tafel rond, waar alleen de jonge COEN HASSELAER zijn gezicht nog in de plooi houdt: ‘Nee hoor, de financiën hebben we doorgenomen, nu nog een nieuwe bewoonster.’ – ‘En die hebben we ook al.’ REYNIER laat zijn register half zakken: ‘Aletta Vinck.’ – ‘Très bien, dan kan ik meteen door naar de Hout!’ De oude HUYDECOPER en REYNIER wisselen veelzeggende blikken. ‘Wij gaan mee!’ Tsja, deze telg van Berckenrode had weliswaar de rijkdommen van zijn voorouders geërfd, maar niet de sociale betrokkenheid en daadkracht waarmee zij het hofje hadden gesticht. ‘Aletta Vinck?’ Bij de deur draait het gezelschap zich om naar COEN, die als enige aan tafel is achtergebleven. ‘Wie is Aletta Vinck?’ Even blijft het stil. ‘Gewoon, een dienstbode van zestig.’ REYNIER haalt zijn schouders op. ‘Ze kan het werk niet meer aan en zoekt onderdak.’ – ‘En waarom krijgt zij voorrang?’ Verwonderd glimlacht REYNIER naar de jonge regent: ‘Was het niet míjn beurt om te kiezen?’ Achter hem staat MAURITS al op de gang: ‘Messieurs, je vous implore!’ COEN vouwt een wachtlijst open: ‘Wat zeg ik dan tegen Sara Martens hier?’ Hij tikt op de bovenste naam. ‘Voordat er weer een huisje vrijkomt, zijn we vier, vijf jaar verder. Waar blijft zij tot die tijd?’ Ongemerkt is de sfeer omgeslagen en ook HUYDECOPER keert terug: ‘Mijn beste, compassie is voortreffelijk, maar heel Haarlem kun je niet redden. Dus zullen we?’ Machteloos spreidt COEN zijn armen: ‘Weduwe Martens moet toch weten waarom ze is gepasseerd? Is ze niet fragiel genoeg? Bent u bang dat ze te lang blijft leven?!’ Geamuseerd schudt HUYDECOPER zijn hoofd: ‘Alstublieft zeg, gaan we nu met elkaar wedijveren in rampspoed?!’ – ‘Ik hoef me toch niet te verantwoorden?!’ REYNIER doet geen moeite zijn ergernis te verbergen. ‘Omstebeurt zouden we iemand aanwijzen en ik neem juffrouw Vinck.’ – ‘Waar komt zij vandaan?’ COEN blijft onverstoorbaar. ‘Is zij gereformeerd?’ – ‘Daar ga ik wel vanuit.’ – ‘En verder?’ – ‘Ze was dienstbode...’ – ‘Bij wie? Wat zijn haar referenties?!’ REYNIER plukt aan zijn revers: ‘Aernout van Druyvesteyn.’ Ongelovig staart COEN hem aan. MAURITS komt giechelend weer binnen: ‘Ha-ha, c’est ridicule! Die bezit de halve stad!’ Hij fatsoeneert zijn trompetmouwtjes van zilverkant: ‘Kan hij zelf niet voor haar zorgen?’ – COEN monstert REYNIER spottend: ‘Wat staat ertegenover? Paar vaatjes brandewijn? Een perceel in Spaarnwoude?’ – ‘Wat insinueert u?!’ REYNIERS stem klinkt gevaarlijk zacht. – ‘Of moet Aernout een zetel regelen in het vroedschap? Voor een krentenweger als u?’ – ‘Je vraagt erom, Hasselaer!’ Net op tijd kan HUYDECOPER tussenbeide springen: ‘Heren, heren, laten we in godsnaam het hoofd koel houden!’ – ‘Het wordt Aletta Vinck!’ REYNIER trilt van woede. – ‘Dan weet morgen heel Haarlem wat voor sujet u bent!’ Met gebalde vuisten staat COEN bij het raam. Een geladen stilte. MAURITS sluit de gangdeur: ‘Oh lala... Wat zou mijn overgrootvader wel niet zeggen? Het hofje is voor behoeftigen en niet... Pas bon.’ Met een zucht gaat HUYDECOPER zitten: ‘We zullen er toch uit moeten komen.’ – ‘Mais c’est évident! Een arme weduwe of een dienstbode van de rijkste familie?! Très facile!’ – ‘Goed, dan gaan we stemmen.’ Enigszins gekalmeerd neemt REYNIER weer plaats: ‘Accoord?’ COEN knikt. ‘Wie is er voor Aletta Vinck?’ REYNIER steekt zijn hand in de lucht. ‘C’est immoral! Absurde!’ Hoofdschuddend laat MAURITS zijn afkeuring blijken. Maar naast hem staart COEN geschrokken voor zich uit... naar de opgeheven hand van JAN HUYDECOPER. ‘Jij... jij doet Van Druyvesteyn die gunst...’ Ook MAURITS kijkt stomverbaasd opzij. – ‘... waarvoor... een zetel in het bestuur?’ Zonder een spier te vertrekken kijkt de brouwer rond: ‘Verder niemand voor juffrouw Vinck?’ Het duurt even, maar dan gaat een derde hand aarzelend omhoog. En het hele gezicht van MAURITS lijkt wel overdekt met rouge.


Meer teksten

Vater, Mutter, Hitler

Diese Dokumentation zu schauen ist keine Empfehlung - es ist ein Auftrag

Julia Frick

Andere teksten

© Maarten van der Duin | wildwords, 2011-2021